Daar gaan we dan, op weg naar het bekende pelgrimsdorp Rocamadour. Al vele eeuwen is dit een bekend bedevaartsoord en tevens onderdeel van de Camino. Het is een prachtig gelegen dorp tegen de rots aangebouwd, waar in verschillende niveaus het dorp als het ware tegen de rots op loopt. We parkeerden beneden en van daaruit liepen we naar het dorp toe, om het vervolgens van beneden naar boven te beklimmen. Als een ware pelgrim zwetend en puffend naar boven.

Tijdens ons bezoekje komen we ook bij een trap die midden in het dorp ligt, een trap met 216 treden waarvan we lezen dat (vooral) in vroegere tijden pelgrims omhoog kropen op hun knieën als boetedoening voor hun zonden. Nog een niveautje hoger in het dorp was er ook nog een kruisweg. Hier kon je langs de verschillende ‘’stations’’ van het kruis lopen, de lijdensweg van Jezus, om vervolgens op de top van de berg te komen waar het kruis van Jezus stond.

Tot dusver geen hele verassende dingen voor een bedevaartsoord. Toch was er nog iets opmerkelijks, een beetje lomp misschien zelfs? Ze hadden besloten om, verscholen in de rots, een lift te maken die je naar boven kon brengen. Zo’n lift waarvan je denkt: nou dat gaan we in ieder geval niet doen. Die lift is in het slechtste geval voor de luiaards en in het beste geval voor de mensen die slecht ter been zijn. Niet voor mij in ieder geval. Hup naar boven lopen.
Toch was er ineens een gedacht die mij raakte: wat nou als Jezus zou zeggen dat ik met de lift moet gaan? Ik moet eerlijk bekennen dat zo’n gedachte zeker weerstand oproept. Ik loop zelf wel naar boven. Vervolgens beeldde ik mij in hoe het zou voelen voor mensen die hier daadwerkelijk heengaan op bedevaart, die misschien al dagen of weken aan het wandelen zijn. Die mensen kijken uit naar het moment om de trap met 216 treden te bestormen en daarna door te gaan met de klimtocht van de kruisweg. Hoe zou het voor hen voelen als Jezus zou zeggen dat het zo goed is en dat ze de lift mogen pakken?

Opstand! Error! Nee, dat niet! Alsof je dan de hele tocht daarvoor eigenlijk voor niets zou hebben gelopen. Alsof je de marathon zou afmaken door de laatste kilometer achterop een scooter te gaan zitten. Die lift is dan aanstootgevend, verachtelijk misschien zelfs. De lift confronteert je dan keihard met je ego en je trots. Als ik in zo’n situatie van wekenlang lopen uiteindelijk in de lift zou moeten stappen zou ik echt enorme weerstand voelen.
Deze schandalige lift is echter wel precies waar het Evangelie over gaat. Niet jezelf omhoogwerken maar nederig en klein Zijn lift in. Thérèse van Lisieux (19e eeuwse non) had scherp door dat zij een lift nodig had:
Ik zou ook een lift willen vinden om mij op te tillen tot Jezus. Want ik ben te klein om de ruwe trap van de volmaaktheid te beklimmen[1].
De waarheid is dat we niet knielend de trap moeten beklimmen. Nee, zak door je hoeven, zie af van je eigen kracht en val knielend de lift in. Paulus zegt immers al dat opklimmen geen optie is: Zeg niet in uw hart: Wie zal naar de hemel opklimmen? Dat is Christus naar beneden halen (Romeinen 10:5b). Thérèse verheugt zich echter over de lift die ze heeft gevonden: Ach, nooit zijn er lieflijkere en melodieuzere woorden mijn ziel komen verblijden. De lift die mij tot in de hemel moet tillen zijn Uw armen, o Jezus[1]. De lift is voor mensen die groot zijn aanstootgevend, maar voor hen die klein zijn een bron van vreugde.
Als lezer kunt u natuurlijk denken: ja ik weet dat ik voor de hemel een lift nodig heb, daar kom ik zelf niet. Ik zou in dat geval willen benadrukken dat de lift voor ons hele leven nodig is. We steunen niet alleen op Jezus om in de hemel te geraken, maar in alles. Zonder Jezus is er geen vrucht. Zonder Mij kunt u niets doen (Johannes 15:5b). Niets. Dit betekent niet alleen op Jezus steunen voor de dingen die ons onmogelijk lijken, maar ook steunen op Jezus voor de dingen die ons juist wél mogelijk lijken. Juist op dié momenten is de lift aanstootgevend, juist op dié momenten denk je dat je het zelf wel kan. En weet u, misschien komen we inderdaad boven, maar als het zonder Jezus is, is het hooguit een prestatie, maar wel eentje zonder Goddelijke vrucht. Als we daarentegen met Hem gaan, en steunen op Hem, dan kan het eeuwigheidswaarde hebben en uitwerken op een manier die met onze prestaties niet had gekund. Hoe precies? Dat is soms een mysterie, maar we kunnen Hem vertrouwen.
Terug van vakantie stuitte ik op een column van Ad de Bruijne over Thérèse die mooi aansloot op deze gedachten. Hij benoemt hier hoe Thérèse grote Godsdienstige verlangens had en wilde groeien in heiligheid, ze liep echter tegen haar eigen onmacht aan. Daarin leerde zij echter een krachtige les:
Zo leerde ze van genade te leven. Niet langer zelf groot willen zijn voor Gods Koninkrijk. Niet jezelf in vroom verpakte zelfgerichtheid omhoogwerken. Klein worden bij God en je laten dragen door zijn liefde. Niet zelf uitdenken hoe je van betekenis zult zijn maar nederig de weg gaan die God nu voor je neerlegt. Om dan achteraf – misschien pas na je dood – Gods wonderlijke plot voor jouw levensverhaal te ontdekken[2].
Therese leert ons om klein te blijven, geen opgepompt religieus ego na te jagen, maar de genade voor wie klein is. Dat is de weg, ook de weg naar heiligheid. Laat het schandaal van Rocamadour, het schandaal van genade onze kracht worden.
Bronnen
1 Jacques Philippe (2022). Op golven van liefde en vertrouwen. Thérèse van Lisieux aan het woord. Carmelitana.
2 https://www.nd.nl/opinie/columns/1280234/like-en-laat-je-liken-tot-alle-nederigheid-is-afgeleerd-ook-c#closemodal