De man, de bij en het licht

Er was eens een man die woonde in een boerderijtje hier ver vandaan. De boerderij lag in een idyllisch landschap, de beekjes stroomden er kabbelend voort en de dieren hadden het gezellig met elkaar. De koeien liepen er kneuterig rond te struinen en de guitige alpaca’s zorgden voor wat verfrissende humor. Soms zat er een varken vast in de modder maar die werd er dan door de schapen weer uitgetrokken; altijd handig zulke vrienden.

            Je zou verwachten dat de man genoot van dit mooie leven op zijn boerderij, maar hij was nergens te bekennen. Waar was hij? En waarom was hij nergens te bekennen? De dieren besluiten te gaan zoeken en ze sturen een vriendelijk zoemende bij de lucht in om het huis te gaan verkennen. Kamer na kamer vliegt de bij door het huis, maar de man is nergens te vinden. Uiteindelijk is er nog maar één kamer over, een dichte kamer. De vriendelijke bij wurmt zich door het sleutelgat naar binnen. Nadat z’n ogen eindelijk gewend zijn aan het donker ziet hij de man liggen op een bank. Een comfortabele bank, maar wel bank met ketens. 

            Vol schrik schiet de bij terug, weg uit de kamer, terug naar de dieren. Hij vertelt het vlug aan de andere dieren. De struisvogel die normaal niet zo snugger is zegt: ‘ik ren naar de stad van licht om daar om hulp te vragen’. Zo geschiedde dat de struisvogel drie dagen lang klapwiekend aan het rennen was naar de stad van licht om hulp te vragen. Nog niet eens halverwege ziet hij wezens van licht naar hem toesnellen, ze vertellen hem dat ze al weten waarvoor hij komt en dat ze linea recta naar het oude boerderijtje gaan.

            Als de wezens van licht aankomen bij de boerderij gaan zij direct het huis in. Terwijl ze daar zijn is het alsof er grote lichtgevende mist over de boerderij komt, geen van de dieren weet precies wat er gebeurt. Vaag horen ze wat dingen en zien ze wat flarden, maar ze kunnen het totaal niet plaatsen. Zo snel als de wezens van licht zijn gekomen, zo snel zijn ze ook weer weg. De dieren kijken elkaar aan en zeggen: ‘nu moet het wel goed zijn, de man zal zo naar buiten komen’. Maar de man kwam niet. Het bleef stil.

            De grootste van de koeien zei tegen de bij: ‘ga jij weer eens kijken’. Zo geschiedde: de bij vloog weer naar het kamertje en tot zijn verbazing zag hij dat de deur open stond. ‘Hij is wel vrij!’ roept de bij. Tot zijn schrik echter, lag de man nog in zijn kamer, nog steeds op de bank; zijn handen aan de ketens. ‘Maar hoe kan dit? De wezens van licht zijn hier geweest, hoe kan hij nog daar op de bank liggen?!’ 

            Er was echter wel wat veranderd, er was iets vreemds aan de hand met de kamer. Nu de bij in de kamer was zag hij dat vanuit de nieuw geopende deur, waardoor hij net was binnengekomen, dat daarvandaan een stralend licht kwam en hemelse muziek. Je keek vanuit de kamer ineens naar een nieuw soort wereld, een ander soort realiteit. Het licht was prachtig en had alle kleuren van de regenboog, er waren zelfs kleuren die hij nog nooit gezien had. De bij bleef in de kamer en zag dat de man af en toe wakker werd van dat nieuwe hemelse licht dat zijn kamer binnenkwam via de geopende deur. De man reageerde verheugd op het nieuwe licht dat hij zag en besloot vanuit zijn bank omhoog te komen om naar de bron van dat licht toe te gaan. Maar dan: klang! Vast aan zijn ketens. Hij komt niet verder; hij worstelt en strijd maar hij komt niet los. Muurvast aan de ketens. Hij geeft op en blijft gelaten op de bank liggen.

            De tijd verstrijkt, de seizoenen veranderen en gaan zich op den duur zelfs weer herhalen; maar de man ligt nog steeds op de bank. Soms als hij zich weer focust op het licht komt er weer een hevige strijd met de ketens, maar dan verliest hij en geeft hij het weer op. Hij krijgt de ketens niet los. De bij ziet het aan en huilt. Meer en meer ziet hij een vreemde vorm van gelatenheid of zelfs tevredenheid ontstaan bij de man. De man vindt zijn bank erg lekker liggen en sinds er wat licht in de kamer is kan hij best genieten van de hagedissen die over de muren kruipen. Of wat te denken van het kijken naar het kleine spinnetje, het is altijd genieten om te zien hoe zij haar vliegen vangt. Het is wel goed zo denkt de man, ik hoef niet dichter naar het licht. Mijn bank is prima en er is hier genoeg te zien met het licht dat binnenkomt door de open deur. Hij besluit maar niet te veel meer direct naar het licht te kijken, de klanken van hemelse muziek en het spektakel van kleuren roepen hem dan om te komen, maar de strijd en teleurstelling die ontstaat doordat hij daar niet kan komen door zijn boeien doen hem besluiten er maar niet te veel naar te kijken

            De bij kan het niet meer aanzien. Hij besluit zijn speciale fluit te gebruiken om hulp in te roepen van de stad van licht, hij neemt zich voor om er zo hard op te blazen als dat hij kan. Maar net voordat hij zijn mond eraan zet verschijnt een van de wezens van licht al in de kamer. De kamer schittert van licht en de bij verschuilt zich in de oude kledingkast die er staat. Door de gleuf kan hij nog net zien wat er gebeurt. Het wezen van licht vraagt met een zowel indringende als bijzonder tedere stem aan de man: ‘Waarom lig je nog hier op je bank?’. De man, overrompelt door wat hem overkomt, zegt al stamelend dat hij niet uit zijn ketens komt. ‘Weet je wel’, zegt het wezen van licht, ‘dat niet de ketens jou vasthouden maar dat jij je ketens nog vasthoudt? Je bent allang vrij, maar ze voelen vertrouwd, daarom houd je ze vast.’ 

            Direct op dat moment was het wezen weer weg en lag de man weer alleen in de kamer. Beduusd en verward. Het is alsof hij een mokerslag heeft gehad en de tijd lijkt te kruipen. Minutenlang zit hij verstilt op de bank, maar dan kijkt hij langzaam naar zijn ketens; hij slikt. Met vastgeklemde vuisten houdt hij inderdaad zijn ketens vast. De ketens van het bekende, de ketens van een vreemd soort veiligheid. Z’n gevangenschap is na al die tijd zijn veiligheid geworden. Donkere gedachten vertellen hem dat hij moet blijven waar hij is, zo slecht is het hier toch niet? Hij vermaakt zich hier toch prima op de kamer, hij kent ondertussen elk hoekje en gaatje en hij weet precies waar hij aan toe is. Vervolgens kijkt hij op naar de deur waar het licht en de muziek vandaan komt, hij lijkt daar stemmen te horen die zeggen: ‘Kom, kom!’. Z’n hart klopt in z’n keel. En weer hoort hij: ‘Kom, kom!’. Hij kijkt; en hij blijft kijken. Hoe langer hij kijkt, hoe meer hij gaat dromen van het licht, hoe meer hij ernaar gaat verlangen. Hij verlangt hevig, maar er blijft iets van aarzeling. Het zweet druppelt over zijn voorhoofd. Durft hij los te laten? ‘Kom, kom!’ Ademloos kijkt de bij toe, de tijd lijkt stil te staan, maar dan ineens hoort hij het: het geluid van ketens die op de grond vallen. 

 

Hij stapt het licht in.

 

En jij: ga jij ook?

 

 

Vragen ter overdenking:

     

      • Herken je dat je ook dingen vasthoudt in je leven die (een nog grotere) vrijheid in Christus belemmeren? Zo ja, wat dan?

      • Durf je net als de man, te kijken en te blijven kijken naar het licht van Jezus? Durf je je oren te openen voor de stem die zegt: ‘Kom, kom’?